De laatste zorg niet kunnen geven zoals je zou willen

Hans Wijsma, Verzorgende IG, covid-unit, vertelt:

Dat je ’s ochtends om half acht tegen iemand zegt: “Goedemorgen, heeft u lekker geslapen?” Dat iemand om half negen is overleden. Dat de begrafenisondernemer om elf uur voor de deur staat. En dat je iemand dan in een zak moet dichtritsen en weg moet laten voeren…

Normaal help je een begrafenisondernemer om iemand in een kist of op een brancard te leggen. Nu werden mensen in zakken weggevoerd… dat was heel pittig. Dat gebeurt normaal alleen bij CSI, maar nu voor onze ogen. Dat moest zo, omdat ze, zeker in het begin, nog niet goed wisten wat er met het virus gebeurde als iemand overleden was.

De ziekte was vaak zo ongrijpbaar, dat het heel moeilijk was om daar een beetje gevoel voor te krijgen. Dag zes of zeven was vaak de kanteldag: dan zag je welke kant het op ging. En als het de verkeerde kant op ging, was dat soms heel snel. Dat maakte het heel pittig.

Als mensen komen te overlijden, wil je dat ze rustig in slaap kunnen vallen. En zich kunnen klaarmaken voor de volgende stap. Dat ze zich kunnen overgeven aan het feit dat het lichaam op is, dat het klaar is. Maar mensen die zo’n omslag krijgen en ineens zo snel ziek worden, voeren een enorme strijd met de benauwdheid. Dat hebben we vaak meegemaakt. Om iemand zo in bed te zien liggen en naar adem te zien happen: dat is heel emotioneel. Want je wilt iemand zo zacht mogelijk laten gaan.

Ik had een avonddienst en er loopt een patiënt met haar zoon over de gang. Lekker in gesprek. Ze nemen afscheid en zeggen “We zien elkaar morgen”. En ‘s avonds om tien uur moet ik hem bellen dat zijn moeder zo achter uit is gegaan, dat hij moet komen om afscheid te nemen. ‘s Nachts is zij overleden… Dat ongeloof bij de familie, daar krijg je kippenvel van. Hij had die middag nog met haar gewandeld. Tot een half uur voor ze zo ziek werd, was er niks aan de hand. Toen werd ze ineens benauwd en is ze overleden.

Beeld: Down to Rest van Caren van Herwaarden