Drie musketiers op de corona-afdeling

Meneer Visser, mevrouw Van Leeuwen en mevrouw Rook uit De Moerberg vertellen:

Ze kenden elkaar al vanuit De Moerberg. Maar in september belandden ze samen bijna een maand lang op de corona-afdeling. Sinds die tijd hebben ze een hele sterke band opgebouwd.  In de wandelgangen worden ze de ‘drie musketiers’ genoemd. Met z’n drieën vertellen ze over hun avonturen.

Mevrouw Van Leeuwen: ‘Bij mij kwamen ze ’s avonds op mijn kamer. Met een vuilniszak: “We gaan inpakken want u gaat hier weg”. Ik zei: “Ik ga niet weg. Ik blijf hier!” Ze zeiden dat ik ziek was. Maar ik voelde me helemaal niet ziek. Ik pakte niks in; toen hebben zij het maar gedaan. Ik was heel verdrietig toen ik daar aankwam. Maar je moet het maar accepteren.’

Mevrouw Rook: ‘Toen zag je mij zitten. Ik was er al vanaf die ochtend. En jij kwam aanlopen, Jo, aan de arm van de zuster. En je riep: “Daar zit mijn vriendin!”’ Mevrouw Van Leeuwen vertelt dat ze een tweepersoonskamer kreeg. De dames vroegen of ze die kamer mochten delen. En dat kon. Mevrouw Van Leeuwen: ‘En toen werd het gezelliger.’

Mevrouw Rook was de dag ervoor al getest. ‘Toen kwamen ze langs en zeiden “Mevrouw Rook, u bent positief hoor.” Getverderrie, dacht ik. Maar toen ik ’s ochtends in het busje zat om naar Zuiderhout te gaan, zag ik Cor aan komen lopen met zijn stok. Daar was ik helemaal blij om: die kende ik gelukkig.’

Meneer Visser hoorde het nieuws ’s avonds: ‘”Meneer Visser, lieve schat, je moet naar Haarlem. Je hebt corona. Je moet je spulletjes pakken en je gaat ervandoor.” Terwijl ik, net als zij, helemaal niks mankeerde! Ik dacht: dan zit ik hier helemaal alleen. Dus ik was dolblij dat Tonnie en Jo er ook waren. De twee dames hebben mij echt geholpen.’

De dames vertellen dat meneer Visser een kamer voor zichzelf had. ‘Dan haalden wij hem altijd op. En zeiden: “Kom maar lekker bij ons.” En dan zaten we met z’n drietjes op de tweepersoonskamer. Daar zaten we veel en daar aten we. Er was een klein tafeltje. En je kon een beetje naar buiten kijken.’

[…] Maar de drie hebben ook veel gelachen samen. Ondanks de situatie en het verdriet dat er ook was. Het leukste waren de moppen van meneer Visser: ‘Hij kon wel bakken vertellen, hoor [Mevrouw Rook over meneer Visser]. Schuine bakken.’ Mevrouw Van Leeuwen: ‘Daar moesten we wel om lachen. Dan zat de zorg erbij te typen en wij maar lachen.’ Meneer Visser: ‘Ik was niet gelukkig, omdat ik mijn vrouw was verloren. Maar er waren toch tijden bij dat ik wel blij was.’

De tweepersoonskamer kwam uit op een gangetje. En achterin dat gangetje stond een bankje. Daar zaten de drie veel. Meneer Visser: ‘We zochten elkaar altijd op. Als steun zijnde.’ Mevrouw Rook: ‘We hadden ook een week dat het mooi weer was. Er was een heel klein stukje tuin, afgezet met een lint. Daar mochten we even buiten zitten. In de zon.’ Meneer Visser beaamt: ‘Ja, dat was gezellig!’

Beeld: Bist Du bei mir van Caren van Herwaarden