En toen was ik zelf kwetsbaar

Manon Klaver, verpleegkundige in Breezicht, vertelt:

In april hebben wij een covid-unit ingericht in “de Toren”, een afdeling binnen ons huis. Op die dag heb ik met een collega een zieke patiënt verplaatst. Het was helemaal in het begin van de eerste lockdown. Er waren amper beschermende middelen.

Ik liep met een vuurwerkbril op en hergebruikte mijn jasje nog – uit angst dat we anders snel helemaal niks meer zouden hebben. De richtlijnen vanuit het RIVM stonden haaks op alles wat ik had geleerd over infectieziektebestrijding.

Toen werd ik ziek. Ik had dagenlang 40,5 graden koorts. Ik was heel, heel erg ziek. Er was sprake van dat ik naar het ziekenhuis moest. Ik zat dagenlang met mijn saturatie op een kritieke grens. Maar de ziekenhuizen liepen ook al aardig vol.

Op de tiende dag stond de arts aan mijn bed. Ik kreeg een saturatiemeter waarmee ik elk uur zelf moest meten. Dat was heel spannend. Ik had ook al dagen niet gegeten, was zeven kilo afgevallen. Preventief had ik al antibioticum gekregen – achteraf was ik ook al een longontsteking aan het ontwikkelen. Na tien dagen kwam de koorts pas onder de 40.

Ik ben soms flarden kwijt van die eerste periode. Ik kreeg een verlaagd bewustzijn; dingen drongen niet helemaal door. Ik heb zo’n drie weken op bed gelegen. Eerst zeiden ze: reken maar op een week of drie. Toen werden het drie maanden, en daarna een half jaar. Als ik op het randje van mijn bed ging zitten om te eten, moest ik uren bijkomen.

Ik begon met het optillen van een vork; alle dagelijkse dingen moest ik weer leren. Mezelf aankleden vroeg uren hersteltijd. Mentaal was dat heel zwaar: elke keer ging het even vooruit en dan weer achteruit. Ik kon niks: had geheugenverlies, was prikkelgevoelig en moe. Het heeft mijn leven helemaal op z’n kop gezet. Het virus was onvoorspelbaar en ongrijpbaar. Ik heb me nooit gerealiseerd dat revalideren zo zwaar is.

[…] Ik heb ook, vanaf de andere kant, dingen geleerd en ervaren over goede zorg. De omgeving van iemand die het moeilijk heeft, wil graag het lijden of de ongerustheid bij je weg nemen. Soms vind ik dat vervelend. Het is goed bedoeld maar het gaat soms voorbij aan hoe je je voelt.

Vertaald naar mijn werk, probeerde ik dat altijd ook al wel: om niet te snel met goede adviezen te komen. Het luisteren, het er zijn, is soms voldoende. En doet misschien wel meer dan het willen oplossen. Ik was me altijd al wel bewust van het zinnetje: “Oh, ik snap het, wat erg”. Dan dacht ik: ik snap het misschien helemaal niet. Ik kan wel luisteren en iemands hand vasthouden. En ook zelf accepteren dat het daar ophoudt als zorgverlener. Dat je daarmee misschien al wel het juiste doet.

En dat je niet altijd een stapje verder moet doen als hulpverlener, omdat je dan soms het goede eigenlijk teniet doet. Dat probeerde ik altijd al vanuit mijn vak. Maar ik heb nu vanaf de andere kant ervaren dat het soms echt betere zorg is. Niet zeggen: “Morgen weer een dag, het komt goed”. Want wie zegt dat dat zo is? En is het dan niet goed als het morgen niet beter is?

Beeld: Blue van Caren van Herwaarden